Tuin
en
Po√ęzie
 
Het violentijdperk


Het ronde perk met donkere violen,
gevat in groen van zomergeurend gras,
verzonken wereld waar ik kind in was,
in een verwonderd spelen weggescholen.

Het ronde perk met donkere violen,
purper, onpeilbaar zwart en smeulend bruin,
hier was het hart der paden in de tuin,
het middelpunt van droom en heerlijk dolen.

Het ronde perk met donkere violen,
hoe boog ik dieper op hun zware gloed
naar het geheim, dat schemerend vermoed,
in hun fluwelen staren bleef verholen.

Het ronde perk met donkere violen,
daar, turend in een ernstig bloemenhart,
wist ik voor ’t eerst, in helle schrik verward,
de gave, slapende in mij verscholen.

Ida Gerhardt
 
Er is iets in de dingen dat ontroert

Er is iets in de dingen dat ontroert:
het is de schoonheid niet der bloemen,
noch het glanzen van een blad, noch ’t roepen
van de roerdomp in de nacht. Het is daarin,
maar ook daarachter en daarboven
en daaronder, dieper in de grond,
die warm en geurig is als versgebakken brood.

Het zijn de sappen die onzichtbaar blijven,
diep in de wortels en het hart waarin
het leven roert. Het zijn klanken en geluiden
die een kind kan horen als het zijn oor
te luisteren legt dicht aan de grond. Het is
het trillen van de wingerdrank wanneer uw
hand haar aanraakt, en het beven van de
kever op het blad, dat groeit en zwelt.
Het is het dons der distelbloemen en de
pijn der wonden die uw vlees doorsplijt.
Het zijn de tekenen van Gods aanwezigheid.

Pieter G. Buckinx

 

 

 

 

 

 
Vrede


Zo rustig is het wolkendek
ver weg zingen nog vogels
licht valt gedempt naar binnen
het schemert in het zomergroen

Van de goudenregen vallen druppels
de Japanse kers is uitgebloesemd
de ribes verspreidt zachte geuren
het regenen zet niet door

Hier is mijn plaats op aarde
dicht bij de leverbalsem
en de schemerwitte margrieten

Het duistert in de tuin
ik zal nooit verder komen
en daar heb ik vrede mee.

Kees Winkler
 
Vita Sackville-West


Haar torenkamer kijkt uit
op negen tuinen, waar negen
liefdes bloeien: lente is hier
bespreekbaar op elk moment
van het jaar.

Wij slepen slakkenhuizen
mee over de paden,
schaffen leeftocht aan.
Nergens is hetzelfde
zo verschillend als hier,

nergens geurt het wachten
zo heerlijk als nu.
Wij schieten ogen
tekort en woorden
die draagbaar maken.
Peter Theunynck
 

 

 

 

Aan een boom


Soms kijk je door je smalle ogen
zo zomers, of je door de blaadren kijkt,
twee smalle stukjes blauw, het lijkt
door ochtendnevel licht bevlogen.
Beweeg maar niet. Want wie kan het verdragen
wanneer een boom zijn wortelen verlaat
en dansen gaat?

Ik niet. En toch, je bent gemaakt om te bewegen,
in lange lijnen, als een langzame muziek,
en dan weer stil te staan, omhoog, een slanke basiliek.
Daar kan ik beter tegen.

Ik ben vanavond in de tuin gegaan.
De bloemen waren alle wit, de maan
had haar ontroerd. Ik heb een boom omhelsd.
Hij was niet groot, zijn bast was hard,
maar ‘k voelde duidelijk het kloppen van mijn hart;
ik denk dat het alleen het mijne was.

Ik stond in het onzichtbare, natte en zware gras
en voelde me in ’t paradijs gedreven.
Wie kan daar leven?

Maria Vasalis
 
Lente


De wind fluisterde dat
de zon snel zou komen,
regen droop af

in mijn dromen dwarrelden
kleurige bloemen overal
neer op het land
als warme sprei
over een bed
in het prille
ochtendgloren
toegedekt
met zachte hand

En in de tuin
op de breuklijn van
donker en licht
werd de jonge bloem geboren,
de eerste van dit jaar,
ze had een eigen gezicht

De wind fluisterde
dat de zon snel zou komen,
regen droop af

mijn water stroomde


Frank Assmann